Ga naar de hoofdcontent

verschenen in MAGAZINE MRT – JUN 22

GOLD

Brugse stemmen uit de renaissance — 25 - 29 mei

dossier GOLD
Brugge, stad van verhalen, beeldende kunst, en muziek, is een plek als geen ander om het verleden bij de hand te nemen. En dat is precies wat je te wachten staat tijdens de tweede editie van het festival GOLD, gewijd aan de sfeervolle polyfonie van de renaissance. In 2018 lag met Donaas de Moor en Obrechts Missa de Sancto Donatiano de focus nog op een geboren Bruggeling, nu ontmoeten we met handelaar Giovanni di Nicolao Arnolfini een van de buitenlanders die Brugge tot het Manhattan van de 15e eeuw maakten, een kruispunt voor de kunsten in het centrum van Europa.

 

Arnolfini … maar welke?

Wie de naam ‘Arnolfini’ hoort, ziet waarschijnlijk direct het iconische dubbelportret van Jan van Eyck uit 1434 voor zich. Trots staat Giovanni Arnolfini afgebeeld in een overdadig rijk interieur met zijn (zwangere?) vrouw Giovanna Cenami, de dochter van zijn compagnon. Allerlei details, zoals het hondje en de sinaasappels, roepen noties van trouw en vruchtbaarheid op, wat gretige kunstkijkers in de jaren 1930 tot de conclusie leidde van een huwelijksportret.

Maar inmiddels is die hoopvolle theorie door de feiten ingehaald. Om te beginnen liepen er minstens twee in het Italiaanse Lucca geboren handelaars rond in Brugge met de naam Giovanni Arnolfini, oom (‘di Arrigo’) en neef (‘di Nicolao’). Leg je hun biografieën en die van hun echtgenotes naast de chronologie van het schilderij, dan valt het verhaal in duigen. Is dat erg? Allerminst, want terwijl wij raden welke Arnolfini ons minzaam aankijkt vanop zijn dubbelportret – zie trouwens ook Van Eycks ‘zelfportret’ uit 1435 – is het vooral zijn afgebeelde rijkdom die telt.

Want rijk waren ze, dankzij de handel in luxegoederen, en dat mocht gezien worden. De Arnolfini-clan had naast massa’s geld ook grote politieke invloed, want terwijl de kerk officieel neerkeek op leningen, verstopte men geldschieterij vaak juist onder de noemer ‘stoffenhandel’. En warempel: de Arnolfini’s verkochten de Bourgondische hertog Filips de Goede kilometers stof!

‘Het meest fascinerende handschrift waaraan de naam Arnolfini kleeft, is het Lucca Choirbook.'

Jan van Eyck, Arnolfini-portret (1434)

 

Koorboeken

Behalve de schilderijen die de handelaars bij Van Eyck bestelden – wellicht kwamen ook de portretten Léal souvenir en Man met de rode tulband uit hun kring – lieten de Arnolfini’s verschillende kostbare boeken maken. Zo gaven ze de opdracht voor vertalingen van Thomas van Aquino en een geschiedenis van Vlaanderen, en nog een misboek voor het klooster van de Rijke Klaren, waar de familie een kapel financierde, een dochter onderbracht en waar minstens onze Giovanni ‘di Nicolao’ ook werd begraven.

Het meest fascinerende handschrift waaraan de naam Arnolfini kleeft, is zeker het Lucca Choirbook. De (latere) naam verbergt dat we hier te maken hebben met een op en top Brugse productie, een detective waardig. Aan het bestaan van het koorboek werd nooit getwijfeld, noch aan het feit dat Arnolfini het cadeau had gedaan aan de kathedraal van Lucca. De herontdekking in de jaren 1980 door musicoloog Reinhard Strohm was echter bijna een wonder. Grazend in de bibliotheek van Lucca vond hij bij toeval perkamenten kaften met muziek erop. Al snel bleek dat die banden ooit samen een handschrift hadden gevormd, en dat twee andere bibliotheken pagina’s uit hetzelfde boek bewaarden. Het Choirbook was blijkbaar na gedane dienst rond 1600 uit elkaar gehaald, en de pagina’s gerecycleerd als bindmateriaal. Met die ontdekking was het koorboek niet volledig, nog altijd niet, maar Strohm kon wel een inschatting maken van de voor die tijd gigantische omvang, en op basis van de fragmenten een voorlopige inventaris maken van het repertoire. Dufay is zeker de beroemdste componist, maar de muziek van Isaac, Domarto, Frye en anderen is eveneens van het hoogste niveau. Het is duidelijk: dit was een kostbaar handschrift, een kathedraal waardig.


Dat mag zo zijn, maar niet die van Lucca. Strohm concludeert dat de oorsprong van het Choirbook gezocht moet worden rond 1460 in de meest welgestelde Engelse kring in Vlaanderen, de Brugse Merchant Adventurers (zeehandelaars), die al in 1344 een kapel mét muzikanten hadden gesticht voor de heilige Thomas Becket bij de Karmelieten. Strohm speculeert dat Arnolfini vanuit zijn thuisstad Lucca weleens de vraag kan hebben gekregen het koorboek te kopen om er de kerkmuziek nieuw elan te geven. Een suggestie die misschien was ingefluisterd door hun kapelmeester John Hothby, die ooit zelf in Brugge had gezongen? En laten de Engelsen nu net in 1468 een fortuin hebben uitgegeven aan het huwelijk van hertog Karel met ‘hun’ Margaretha van York …

‘De herontdekking van het handschrift in de jaren 1980 was bijna een wonder.’

 

Jan van Eyck, Man met de rode tulband (zelfportret?) (1433)

Polyfonisten

Tijdens het goudglanzende hemelvaartsweekend klinkt behalve Dufays Missa L’homme armé door Cinquecento nog andere muziek uit het Lucca Choirbook, bijvoorbeeld bij ClubMediéval. Thomas Baeté liet voor dat concert zijn oog vallen op een Kortrijkzaan onder de illustere toondichters: Gilles Joye (1425-1483), van wie Memling een streng en devoot portret als priester schilderde. Het Brugse Donaaskapittel nam hem zijn relatie met een zekere Rosabella dan ook niet in dank af. Is de Missa Rosa bella in het Choirbook Joyes muzikale schuldbetuiging? Ze breken alvast een lans voor de vrijwel vergeten componist-zanger en Bedynghams lied O rosa bella waarop hij zich baseerde. Het trendsettende Italiaanse ensemble La Fonte Musica schetst de context waarin het Lucca Choirbook terechtkwam: Italiaanse zangers die onder leiding van de Engelse kapelmeestercomponist John Hothby aan de slag gingen met ‘noordelijke’ muziek, waaronder een mis van Bruggeling Cornelis Heyns. Van Hothby zelf klinkt Una panthera, een verwijzing naar Lucca’s stadswapen. Micrologus en haar energieke leidster Patrizia Bovi treden dan weer in de Franco-Vlaamse voetsporen naar Venetië, Napels, Firenze en Lucca, het thuisland van de Arnolfini’s. Buitenlandse handelaars en bankiers kwamen in Brugge immers allereerst geld verdienen, maar niet zonder hun netwerk in te zetten voor (culturele) diplomatie. Met haar legendarische ensemble wekt zij als geen ander de muziek van de renaissance tot leven, stralend als de Italiaanse zon.


— Albert Edelman